Kan je een kunstwerk verkopen via artikel 1bis? 

Wacht…wat is artikel 1bis?

Eerst enkel voor “schouwspelartiesten”…

Ondanks het feit dat het principe van artikel 1bis al 50 jaar in de wetgeving bestaat, is het zeker en vast nog te weinig bekend. Bij het ontstaan in 1969 was het de bedoeling om schouwspelartiesten de sociale zekerheid van een werknemer te gunnen, ook als zij geen arbeidsovereenkomst kregen van hun opdrachtgevers. Die arbeidsovereenkomst is normaal een voorwaarde om sociale zekerheid te kunnen betalen en opbouwen als werknemer. De opdrachtgever moest dan toch alle “werknemers-formaliteiten en betalingen” in orde maken voor zijn schouwspelartiest.

Dit is een trucje dat ook voor andere beroepsgroepen wel eens wordt toegepast: in 1969 bijvoorbeeld voor taxichauffeurs. Wel wil de Nationale Arbeidsraad oppassen met zo’n allesomvattende gelijkstelling:  Het criterium voor onderwerping aan het ene of het andere sociale zekerheidsstelsel moet altijd de aard van de uitgeoefende beroepsactiviteit zijn.

Over deze gelijkstelling ontstaan ook voor kunstenaars enkele grote discussies: Kan een schouwspelartiest dan nog zelfstandige zijn? Geldt dit ook voor amateurs? Wie is nu exact de werkgever: de organisator of de groeps- of orkestleider?

Over die eerste vraag zegt Cassatie dat het een onweerlegbaar vermoeden is. Iedereen sowieso werknemer dus. Dit heeft – ondanks de veranderingen hieronder beschreven – tot op vandaag gevolgen: zo vermeldt de website van de sociale zekerheid der zelfstandigen nog steeds foutief dat een kunstenaar “in principe” een werknemer.

…daarna voor wie “artistieke prestaties” levert in opdracht…

In 2002 wordt de regeling opgefrist.

Vanaf dan wordt het een weerlegbaar vermoeden. Wie kan aantonen dat hij of zij werkt in toch compleet andere socio-economische omstandigheden dan de relatie werknemer-werkgever, kan toch kiezen om zelfstandige te worden.

Bovendien geldt de gelijkstelling voor iedereen die in opdracht “artistieke prestaties levert” of “artistieke werken produceert”. Ook scheppende kunstenaars dus.

Enkele jaren na de aanpassing merkt de Nationale Arbeidsraad twee problemen op:

  1. veel niet-artistieke activiteiten worden ondergebracht onder het vermoeden van de 1bis-regeling, en
  2. er ontstaat een markt aan “derde-betalers” waarachter opdrachtgevers zich verschuilen om zelf geen werkgever te moeten worden.

…tot slot voor wie houder is van een visum kunstenaars.

In 2013 wordt daarom een voorlopig laatste aanpassing aan het artikel 1bis gemaakt. Om van de regeling te kunnen gebruikmaken moet de kunstenaar vanaf nu een visum aanvragen – waardoor 1bis eerder een keuze dan een vermoeden wordt. De opdrachtgever wordt expliciet aangeduid als de werkgever die aan alle sociale zekerheidsverplichtingen moet voldoen. 

Daarnaast moet de kunstenaar (met visum op zak) zich in volgende situatie bevinden:

  • Prestaties leveren of werken produceren van artistieke aard
  • In opdracht
  • Tegen betaling van een loon
  • Niet door een arbeidsovereenkomst kunnen verbonden zijn omdat 1 of meerdere essentiële elementen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst ontbreken.

Het essentiële element zal meestal “gezag” zijn. Of zoals de Nationale Arbeidsraad het zelf zegt: “Het is meer bepaald de bedoeling een efficiëntere sociale bescherming te bieden aan de kunstenaars die een gage krijgen, aangezien de voorwaarde van een band van ondergeschiktheid vaak moeilijk kan worden aangetoond wat de artistieke activiteiten betreft.”

Kan ik nu een kunstwerk verkopen via artikel 1bis of niet???

Nee, omwille van verschillende redenen.

De meest logische is dat de 1bis-voorwaarde “in opdracht” ontbreekt. De wetgever definieert in zijn voorbereidende werken de term “opdracht” niet. Men moet er dus van uitgaan dat het “vrije initiatief” niet onder artikel 1bis kan vallen. Wie een kunstwerk verkoopt aan iemand, doet dat niet in diens opdracht.

Daarnaast zijn de socio-economische omstandigheden van een relatie koper-verkoper compleet anders dan die van een opdrachtnemer – opdrachtgever, wat 1bis probeert te regelen. De modaliteiten van een “verkoop” zijn anders dan die van een “opdracht”: onder andere in het afbakenen van het geleverde werk in tijd en ruimte.

Tot slot geeft de geschiedenis van deze uitbreidingscategorie geen aanwijzingen om ook verkoop onder 1bis te kunnen plaatsen. Sinds 1969 wijst de NAR erop dat de aard van de uitgeoefende beroepsactiviteit doorslaggevend moet blijven in het bepalen van het sociale zekerheidsstelsel en vermelden ze kunstenaars die een “gage” (volgens het woordenboek “loon”) krijgen. Bij een verkoop is er geen sprake van een gage.

En als ik dat dan toch doe?

Dat zal afhangen van geval tot geval. In ieder geval staat het de inspectiediensten en/of de rechter vrij om de kwalificatie van de overeenkomst te betwisten omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan of de feiten anders zijn dan zij werden voorgesteld.

Wanneer er sprake is van regelmatige verkoop, zal een retroactieve aansluiting als zelfstandige noodzakelijk zijn. Wanneer er op basis van de onterechte onderwerping uitkeringen werden uitbetaald, kunnen deze door de instellingen teruggevorderd worden.

Bedrieglijke onderwerping staat in het Sociaal Strafwetboek op niveau 4. De sanctie van niveau 4 bestaat voor de opdrachtgever uit hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600 tot 6000 euro of uit een van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 300 tot 3000 euro. Te vermenigvuldigen met opdeciemen. 

Advies op maat

Heb je nog vragen over je persoonlijke situatie? Je kan bij onze juristen terecht voor advies op maat.