De culturele sector is zwaar getroffen door de maatregelen genomen om de COVID 19-pandemie in te dijken. De overheid heeft geprobeerd om het leed ietwat te verzachten door het invoeren van fiscale steunmaatregelen ten voordele van zowel werknemers als zelfstandigen.

Ook werknemers en zelfstandigen uit de culturele sector kunnen dus gebruik maken van de genomen maatregelen. De steunmaatregelen hebben een tijdelijk karakter. Ze zijn ingegaan in maart 2020 en duurden tot eind 2020. Een aantal maatregelen zijn verlengd tot 2021 en in bepaalde gevallen zelfs tot 2022. Voor een overzicht van de meest actuele verlengingen en nieuwe ondersteuningsmaatregelen, raadpleeg je best de website van de Federale Overheidsdienst Financiën en ga je vervolgens naar de rubriek “coronavirus”.

We bespreken de volgende zaken:

  1. Omdat een aanzienlijk deel van de cultuurwerkers het zelfstandige statuut heeft, zij het als zelfstandige in hoofd- of bijberoep, gaan we dieper in op de steunmaatregelen waarop een zelfstandig cultuurwerker in 2021 beroep kon doen. We focussen hierbij op de maatregelen die te maken hebben met zijn beroepsinkomsten (in de regel baten). (Maatregelen die algemeen van aard zijn en zich richten tot alle particulieren die aan de personenbelasting onderworpen zijn komen niet aan bod.)
  2. Omdat er ook cultuurwerkers zijn die als werknemer hun brood verdienen, eindigen we met het stelsel van de tijdelijke werkloosheid voor werknemers.
  3. Ook het stelsel van de consumptiecheques, in het leven geroepen ter ondersteuning van onder meer de culturele sector, komt aan bod.

Waardeverminderingen voor risico's en kosten

Maatregel bedoeld voor zelfstandigen (die winsten behalen) en te maken krijgen met “slechte betalers”

De belastingadministratie aanvaardt dat de crisis als gevolg van de COVID 19-pandemie een bijzondere omstandigheid is die de belastingvrijstelling rechtvaardigt van waardeverminderingen op handelsvorderingen op ondernemingen die een betalingsachterstand hebben als rechtstreeks of onrechtstreeks gevolg van de COVID 19-maatregelen die door de federale regering werden genomen. Stel dat een zelfstandige die winsten behaalt een factuur uitschrijft aan een onderneming en deze onderneming die factuur niet kan betalen o.w.v. federale maatregelen genomen om de COVID 19-pandemie in te dijken (bijvoorbeeld een onderneming die tijdelijk zijn deuren heeft moeten sluiten en om die reden een betalingsachterstand heeft opgebouwd) dan kan die zelfstandige een belastingvrije waardevermindering op die vordering boeken. Vrijgestelde waardeverminderingen moeten door de zelfstandige met winsten worden aangegeven in deel 2 van de aangifte, vak XVII, rubriek 9 Vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen voor risico’s en kosten (codes 1609/40-2609/10). Noteer dat een zelfstandige die baten behaalt, geen aanspraak kan maken op een vrijgestelde waardevermindering.

Investeringsaftrek

Maatregel bedoeld voor zelfstandigen die investeren

De gewone investeringsaftrek in de personenbelasting wordt verhoogd van 8 % (basispercentage) tot 25 % voor nieuwe vaste activa die rechtstreeks verband houden met de economische activiteit en zijn verkregen of tot stand gebracht tussen 12 maart 2020 en 31 december 2022.

Voorbeeld

Een singer-songwriter kocht op 11 maart 2020 een drumcomputer aan ter waarde van 300 euro. In dit geval heeft hij recht op een investeringsaftrek van 8 % (8 % van 300 euro = 24 euro). Die 24 euro is vrijgesteld van belasting. Had hij enkele dagen langer gewacht en dezelfde drumcomputer aangekocht op 14 maart 2020 dan had hij recht gehad op een vrijgestelde investeringsaftrek van 75 euro.

Uitkeringen in het kader van het overbruggingsrecht

Maatregel bedoeld voor zelfstandigen die gedwongen waren hun beroepsactiviteit te onderbreken

De overheid heeft een overbruggingsrecht ingevoerd ten gunste van zelfstandigen die naar aanleiding van de COVID 19-pandemie gedwongen zijn hun zelfstandige beroepsactiviteit volledig of gedeeltelijk te onderbreken. In 2021 waren er verschillende vormen van financiële uitkeringen in het kader van het overbruggingsrecht. 
 
Het belastingstelsel van de uitkeringen is afhankelijk van het soort uitkering, de aard van de onderbroken activiteit in het kader waarvan de zelfstandige de uitkeringen heeft verkregen en de inkomstencategorie waartoe de inkomsten uit de onderbroken activiteit van de verkrijger behoren. Ook in 2022 kunnen zelfstandigen een beroep doen op één van de uitkeringen van het overbruggingsrecht. Voor de verschillende vormen van financiële uitkeringen die mogelijk zijn, kan men deze website raadplegen.

  • Het crisisoverbruggingsrecht quarantaine

Dit crisisoverbruggingsrecht werd met ingang van 1 januari 2021 ingevoerd voor zelfstandigen die hun activiteiten volledig onderbreken omdat ze als gevolg van COVID-19 voor minstens 7 opeenvolgende kalenderdagen in quarantaine of isolatie moeten gaan. Het crisisoverbruggingsrecht quarantaine geldt van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2022.

Bij verkrijgers van winst (vak XVII) of baten (vak XVIII) zijn de financiële uitkeringen verkregen in het kader van het crisisoverbruggingsrecht quarantaine belastbaar als een vergoeding verkregen ter compensatie of naar aanleiding van een handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de winst of de baten tot gevolg kan hebben (afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 % of gezamenlijk belastbaar tegen de gewone progressieve tarieven). De uitkeringen worden fiscaal aangemerkt als winst of baten, en niet als vervangingsinkomsten. De uitkeringen in het kader van het crisisoverbruggingsrecht quarantaine worden door de uitbetalende instellingen (de socialeverzekeringsfondsen) vermeld op een fiche 281.50.

De zelfstandige met winst moet de uitkeringen vermelden in deel 2 van de aangifte, vak XVII, rubriek 6 b) 1) Vergoedingen die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5 % - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1636-13/2636-80) of in rubriek 6 d) 1) Vergoedingen die gezamenlijk belastbaar zijn -  financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1637-12/2637-79). De zelfstandige met baten moet de uitkeringen vermelden in deel 2 van de aangifte, vak XVIII, rubriek 8 a) 1) Vergoedingen en premies die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5 % - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1682-64/2682-34) of in rubriek 8 c) 1) Vergoedingen en premies die gezamenlijk belastbaar zijn - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1683-63/2683-33).

  • Het crisisoverbruggingsrecht kindzorg

Dit crisisoverbruggingsrecht werd met ingang van 1 januari 2021 ingevoerd voor zelfstandigen die hun activiteiten volledig onderbreken om minstens 7 kalenderdagen tijdens een kalendermaand in te staan voor de zorg van een inwonend kind van minder dan 18 jaar dat als gevolg van COVID-19 niet naar een kinderdagverblijf of naar school kan gaan en voor zelfstandigen die hun activiteiten volledig onderbreken om minstens 7 kalenderdagen tijdens een kalendermaand in te staan voor de zorg van een gehandicapt kind ten laste dat als gevolg van COVID-19 niet naar een centrum voor opvang van gehandicapte personen kan gaan.
Het crisisoverbruggingsrecht kindzorg geldt van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2022.

Bij verkrijgers van winst (vak XVII) of baten (vak XVIII) zijn de financiële uitkeringen verkregen in het kader van het crisisoverbruggingsrecht kindzorg belastbaar als vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen. Dergelijke uitkeringen worden belast als vervangingsinkomsten en komen in aanmerking voor een belastingvermindering. 
De betreffende uitkeringen worden door de uitbetalende instellingen (de socialeverzekeringsfondsen) vermeld op een fiche 281.18. De zelfstandige met winst of baten moet de uitkeringen vermelden in deel 1 van de aangifte, vak IV, rubriek D 5 (Andere vervangingsinkomsten), codes 1271-87/2271-57.

  • Het crisisoverbruggingsrecht omzetverlies

Dit crisisoverbruggingsrecht werd met ingang van1 januari 2021 ingevoerd voor zelfstandigen die in de kalendermaand vóór die waarop hun aanvraag betrekking heeft een omzetverlies hadden van minstens 40 % in vergelijking met dezelfde kalendermaand van het refertejaar 2019. 
Het crisisoverbruggingsrecht omzetverlies geldt van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2022.

Bij verkrijgers van winst (vak XVII) of baten (vak XVIII) zijn de financiële uitkeringen verkregen in het kader van het crisisoverbruggingsrecht omzetverlies belastbaar als vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen. Dergelijke uitkeringen worden belast als vervangingsinkomsten en komen in aanmerking voor een belastingvermindering. De betreffende uitkeringen worden door de uitbetalende instellingen (de socialeverzekeringsfondsen) vermeld op een fiche 281.18. De zelfstandige met winst of baten moet de uitkeringen vermelden in deel 1 van de aangifte, vak IV, rubriek D 5 (Andere vervangingsinkomsten), codes 1271-87/2271-57.

  • Dubbel crisisoverbruggingsrecht

Het dubbel crisisoverbruggingsrecht werd ingevoerd vanaf 1 oktober 2021 voor zelfstandigen die gedwongen zijn hun activiteiten volledig of gedeeltelijk te onderbreken of die hun activiteiten volledig moeten onderbreken omdat ze van eerstgenoemde activiteiten afhankelijk zijn. Het dubbel overbruggingsrecht geldt van 1 oktober 2021 tot en met 31 maart 2022.

Bij verkrijgers van winst (vak XVII) of baten (vak XVIII) zijn de financiële uitkeringen verkregen in het kader van het dubbel crisisoverbruggingsrecht belastbaar als een vergoeding verkregen ter compensatie of naar aanleiding van een handeling die een vermindering van de beroepswerkzaamheid of van de winst of de baten tot gevolg kan hebben (afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 % of gezamenlijk belastbaar tegen de gewone progressieve tarieven). De uitkeringen worden fiscaal aangemerkt als winst of baten, en niet als vervangingsinkomsten. De uitkeringen in het kader van het crisisoverbruggingsrecht worden door de uitbetalende instellingen (de socialeverzekeringsfondsen) vermeld op een fiche 281.50.

De zelfstandige met winst moet de uitkeringen vermelden in deel 2 van de aangifte, vak XVII, rubriek 6 b) 1) Vergoedingen die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5 % - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1636-13/2636-80) of in rubriek 6 d) 1) Vergoedingen die gezamenlijk belastbaar zijn -  financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1637-12/2637-79). De zelfstandige met baten moet de uitkeringen vermelden in deel 2 van de aangifte, vak XVIII, rubriek 8 a) 1) Vergoedingen en premies die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5 % - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1682-64/2682-34) of in rubriek 8 c) 1) Vergoedingen en premies die gezamenlijk belastbaar zijn - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1683-63/2683-33).

  • Het klassieke overbruggingsrecht

Het klassieke overbruggingsrecht werd ingevoerd ter ondersteuning van de zelfstandigen die hun activiteit stopzetten of onderbreken door faillissement, door economische moeilijkheden of gedwongen onderbreking of stopzetting door een beslissing van een derde economische actor of door een gebeurtenis die economische impact heeft, die de activiteit rechtstreeks en aanzienlijk raakt. Het coronavirus wordt beschouwd als een gebeurtenis met economische impact.

Bij verkrijgers van winst (vak XVII) of baten (vak XVIII) zijn de financiële uitkeringen verkregen in het kader van het overbruggingsrecht in principe belastbaar als een vergoeding verkregen ter compensatie of naar aanleiding van een handeling die een vermindering van de beroeps- werkzaamheid of van de winst of de baten tot gevolg kan hebben (afzonderlijk belastbaar tegen 16,5 % of gezamenlijk belastbaar tegen de gewone progressieve tarieven). De uitkeringen worden fiscaal aangemerkt als winst of baten, en niet als vervangingsinkomsten. De uitkeringen in het kader van het crisisoverbruggingsrecht worden door de uitbetalende instellingen (de socialeverzekeringsfondsen) vermeld op een fiche 281.50.

De zelfstandige met winst moet de uitkeringen vermelden in deel 2 van de aangifte, vak XVII, rubriek 6 b) 1) Vergoedingen die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5 % - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1636-13/2636-80) of in rubriek 6 d) 1) Vergoedingen die gezamenlijk belastbaar zijn -  financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1637-12/2637-79). De zelfstandige met baten moet de uitkeringen vermelden in deel 2 van de aangifte, vak XVIII, rubriek 8 a) 1) Vergoedingen en premies die afzonderlijk belastbaar zijn tegen 16,5 % - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1682-64/2682-34) of in rubriek 8 c) 1) Vergoedingen en premies die gezamenlijk belastbaar zijn - financiële uitkeringen in het kader van het COVID-19-overbruggingsrecht (die niet als vervangingsinkomsten belastbaar zijn) (codes 1683-63/2683-33).

  • Eenmalige premie voor bepaalde begunstigden van een COVID-19-overbruggingsrecht (coronapremie)

Zelfstandigen die in de periode van 1 oktober 2020 tot 30 april 2021 minstens 6 maandelijkse financiële uitkeringen rechtmatig hebben verkregen in toepassing van bepaalde tijdelijke crisismaatregelen overbruggingsrecht in het kader van de COVID-19-crisis, hebben recht op een eenmalige premie van 598,81 euro. Op de fiche 281.18 vindt u die premie naast code 309. De premie moet vermeld worden in deel 1 van de aangifte, vak IV, rubriek D 4 (Eenmalige premie voor bepaalde begunstigden van een COVID-19-overbruggingsrecht), codes 1309-49/2309-19.

Vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ)

Maatregel bedoeld voor zelfstandigen met een vrij aanvullend pensioen

De bijdragen die een zelfstandige betaalt voor zijn aanvullend pensioen mogen als beroepskosten worden afgetrokken. Voorwaarde is wel dat de zelfstandige in orde is met de betaling van zijn sociale bijdragen. Maar in het kader van de COVID 19-pandemie kon een zelfstandige in 2021, op zijn verzoek, een uitstel van betaling bekomen voor de sociale bijdragen van 2021 en voor de regularisatiebijdragen die in 2021 kwamen te vervallen. 
 
Maar de belastingadministratie heeft beslist om de fiscale aftrekbaarheid als beroepskosten van de in 2021 betaalde VAPZ-bijdragen niet te verwerpen om de enkele reden dat de belastingplichtige:

  • het afbetalingsplan voor de betaling van de sociale bijdragen van 2020 die daarvoor al tot in 2021 waren uitgesteld, heeft verkregen en naleeft, of;
  • een uitstel tot in 2022 heeft verkregen voor de betaling van de bijdragen van het 1ste, 2de, 3de en 4de kwartaal van 2021.

Als gevolg daarvan kan een belastingplichtige de in 2021 betaalde VAPZ-bijdragen fiscaal als aftrekbare beroepskosten in aanmerking nemen voor zover hij de voor datzelfde jaar verschuldigde sociale bijdragen heeft betaald of waarvoor hij een hierboven bedoeld afbetalingsplan of uitstel heeft verkregen. Als de belastingplichtige de in 2022 opeisbare sociale bijdragen niet betaalt, heeft dat geen gevolgen voor de toegestane aftrek van de in 2021 betaalde VAPZ-bijdragen.

Vrijstelling steun vanwege regionale/lokale overheden

Maatregel bedoeld voor zelfstandigen die een vergoeding vanwege een lokale overheid krijgen

Naast de federale overheid voorzien ook de regionale overheden (gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten) een aantal specifieke vergoedingen, premies, toelagen, … voor zelfstandige ondernemers die worden getroffen door de maatregelen genomen om de verspreiding van het corona- virus te beperken. Deze vergoedingen, premies, toelagen worden van belasting vrijgesteld*.

Info

Meer informatie is terug te vinden op de websites van de regionale overheden: Vlaanderen; Wallonië; en Brussel.

De voorwaarden waaraan de vergoedingen moeten voldoen om voor de belastingvrijstelling in aanmerking te komen, zijn:

  • de vergoeding vormt geen directe of indirecte vergoeding in ruil voor de levering van goederen of het verlenen van diensten; 
  • in de regeling op grond waarvan de vergoeding wordt verleend, is uitdrukkelijk bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID 19-pandemie het hoofd te bieden; 
  • de vergoeding wordt betaald of toegekend tussen 15 maart 2020 en 31 maart 2022.

De vrijgestelde inkomsten moeten worden vermeld op de berekeningsnota die bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting is gevoegd.

De Vlaamse regering heeft een Noodfonds opgericht voor de cultuur-, jeugd- en mediasector. Alle organisaties met  werkingssubsidies  konden tot 31 augustus steun vragen voor bijkomende kosten of niet-gerealiseerde inkomsten door de coronacrisis. Ze konden eveneens steun vragen voor cultuurwerkers die hun activiteiten afgelast of uitgesteld zagen. 
 
Heb je als organisatie steun uit het Noodfonds voor derden in de waardeketen gevraagd? In dat geval moet er een overeenkomst met de derde afgesloten worden om afspraken te maken rond de betaling van een annulatievergoeding en/of een vergoeding van voorbereidende kosten.

Als de vergoeding een zuivere annulatievergoeding is, is ze vrijgesteld van belasting. Zoals hiervoor reeds vermeld, moet de vergoeding betaald of toegekend worden tussen 15 maart 2020 en 31 december 2021. De organisatie moet de cultuurwerker een fiche 281.99 bezorgen. Deze fiche bewijst dat er een (van belasting vrijgestelde) vergoeding is uitbetaald. 

Dekt de vergoeding voorbereidende kosten en is de cultuurwerker een zelfstandige, dan is de vergoeding belast- baar als winst (vak XVII) of baten (vak XVIII). De organisatie bezorgt de cultuurwerker een fiche 281.50. Uiteraard kan de zelfstandige ook de kosten inbrengen. Is de cultuur- werker geen zelfstandige en hebben de organisatie en de cultuurwerker een arbeidsovereenkomst, dan bezorgt de cultuurwerker de organisatie bewijzen (bijvoorbeeld factu- ren van de werkelijke kosten die hij gemaakt heeft voor de geannuleerde activiteit) en houdt hij daarvan een kopie in geval van fiscale controle. De organisatie betaalt de kosten terug onder de vorm van “eigen kosten aan de werkgever”, en bezorgt de cultuurwerker een fiche 281.10 (zonder vermelding van het bedrag). De vergoeding is in dit geval dus niet belast. Hebben de organisatie en de cultuurwerker geen arbeidsovereenkomst, dan betaalt de organisatie de vergoeding als annulatievergoeding (zie hiervoor). Het spreekt vanzelf dat de cultuurwerker in dat geval de voorbereidende kosten niet kan inbrengen in zijn belastingaangifte. 

In oktober 2020 keurde de Vlaamse Regering een tweede premie voor de cultuursector goed: de culturele activiteitenpremie. Die premie is een forfaitaire subsidie om publieke activiteiten in de Vlaamse culturele sector te stimuleren, voor de periode van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2021. Het is momenteel niet meer mogelijk om een culturele activiteitenpremie aan te vragen; het voorziene budget is bereikt.
 
Vermeldenswaard is ook het Vlaams Beschermingsmechanisme, zijnde een premie die door het Vlaams Gewest wordt uitgekeerd aan ondernemingen die in maart, april, mei of juni 2021 een omzetverlies geleden hebben van minstens 60 % of die verplicht moesten sluiten. Ook deze premie valt onder de hier besproken belastingvrijstelling van premies door regionale overheden. 

Tijdelijke werkloosheidsuitkeringen

Maatregel bedoeld voor werknemers die te maken krijgen met tijdelijke werkloosheid

Ondernemingen maakten in 2020 en 2021 (en 2022) massaal  gebruik van het stelsel van tijdelijke werkloosheid. In dit stelsel kunnen zij werknemers in dienst houden en moeten zij niet overgaan tot ontslagen. De werknemers krijgen tijdens de duur van de tijdelijke werkloosheid een uitkering van de overheid (en eventueel nog een aanvullende uitkering van de werkgever of de sector waartoe de onderneming behoort). Van 13 maart 2020 tot en met 31 augustus 2020 en van 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2022 mag tijdelijke werkloosheid te wijten aan het coronavirus beschouwd worden als tijdelijke werkloosheid wegens overmacht. Naast een vereenvoudigde procedure voor de invoering van het stelsel (= voordeel voor de werkgever), zijn de werkloosheidsuitkeringen die de werknemer in het kader van dit stelsel ontvangt, (tijdelijk) verhoogd (= voordeel voor de werknemer). Bovendien heeft de werknemer, bovenop de werkloosheidsuitkering, ook nog eens recht op een supplement vanwege de RVA. Alle informatie hierover is terug te vinden op de website van de RVA. Op al deze uitkeringen die de werknemer ontvangt, wordt bedrijfsvoorheffing ingehouden. Op wettelijke uitkeringen voor tijdelijke werkloosheid bedraagt die normaal gezien 26,75 %. Op wettelijke uitkeringen die vanaf 1 mei 2020 tot en met 30 juni 2022 worden betaald of toegekend aan tijdelijk werklozen en die betrekking hebben op dagen van werkloosheid in diezelfde periode, is dit tarief verlaagd van 26,75 % naar 15 %. Hierdoor houden de tijdelijk werkloze werknemers maandelijks netto meer loon over. Maar alleen de bedrijfsvoorheffing is verlaagd; de uiteindelijke belastingafrekening gebeurt aan de gewone tarieven van de personenbelasting. De bedrijfsvoorheffing is slechts een voorafname van de definitief verschuldigde personenbelasting en wordt daarmee verrekend. Het tarief van de bedrijfsvoorheffing stemt dan ook niet overeen met het belastingtarief dat uiteindelijk op de uitkeringen zal worden toegepast (noteer dat op de uitkeringen ook nog eens een belastingvermindering van toepassing is). Veel werknemers zullen in 2022 (bij de afrekening van hun inkomsten over 2021) (veel) meer belasting moeten bijbetalen.

Consumptiecheques

Maatregel bedoeld voor werknemers die consumptiecheques ontvangen

Werkgevers krijgen tijdelijk de mogelijkheid  om  consumptiecheques aan te bieden aan hun werknemers (zij zijn hier dus niet toe verplicht). Deze cheques worden, onder bepaalde voorwaarden, bij de werknemer vrijgesteld van belasting. Zo mag de cheque maar een nominale waarde hebben van maximum 10 euro per cheque en mag een werknemer maar voor maximum 300 euro aan cheques ontvangen van zijn werkgever. Een consumptiecheque die wordt toegekend aan een werknemer die reeds consumptiecheques voor een totaalbedrag van 300 euro van diezelfde werkgever heeft ontvangen, geeft geen recht op de vrijstelling; de consumptiecheques zijn in dat geval bij de werknemer belastbaar voor hun totaliteit en niet enkel voor het deel dat de grens van 300 euro overschrijdt. De werknemer mag de cheque alleen gebruiken in de horeca-, culturele of sportieve sector en in bepaalde kleinhandelszaken. Verder moet de cheque uiterlijk op 31 december 2020 zijn uitgereikt. De consumptiecheques zijn geldig tot 31 december 2022. Het bedrag van de consumptiecheques die bij de werknemer zijn vrijgesteld van belasting, is terug te vinden op de fiscale fiche 281.10 (onder “diverse inlichtingen”). Dit bedrag moet niet in de aangifte worden vermeld.

Ga aan de slag met onze brochure. In onze brochure gaan we dieper in op hoe je je belastingen op een correcte manier moet aangeven:

Laatst gewijzigd: 18/05/2022 - 14:48

Brochure - belastingaangifte inkomsten 2021

Belastingen en BTW

Brochures