Foto’s, films, tekeningen enz. met portretten van mensen, zijn beschermd door het recht op afbeelding. 

Volgens artikel XI.174 van het Wetboek economisch recht is de toestemming van de geportretteerde nodig om zijn portret te reproduceren of aan het publiek mee te delen. Er is sprake van een portret, wanneer je focust op een persoon of wanneer iemand poseert. Het portretrecht vervalt twintig jaar na het overlijden van de geportretteerde. 

Wanneer materiaal verspreid wordt waarop mensen herkenbaar zijn of geïdentificeerd kunnen worden (afbeelding, stem, naam, adres enz.) (dus ook wanneer er geen sprake is van een portret of zelfs van de afbeelding van hun gezicht), kunnen ze zich daartegen verzetten in geval van inbreuk op hun privéleven (artikel 22 Grondwet en 8 § 1 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens).  

Wanneer het gebruik van een portret, afbeelding of andere persoonsgegevens foutief is en de persoon in kwestie daardoor schade lijdt, kan hij een schadevergoeding eisen op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk wetboek. 

In geval van verwerking van persoonsgegevens (foto’s of andere informatie), hebben de betrokkenen op basis van de AVG (Algemene verordening gegevensbescherming of GDPR) onder andere het recht om informatie op te vragen (over welke foto’s of andere persoonsgegevens gaat het en waarvoor zouden ze gebruikt kunnen worden) en om zich te verzetten tegen het gebruik van hun gegevens. Maar degene die de gegevens verwerkt kan dat blijven doen als hij daar een gegronde reden voor heeft, bijvoorbeeld wanneer hij daar wettelijk toe verplicht is of wanneer dat nodig is voor de uitvoering van een overeenkomst met de persoon in kwestie. 

Ten slotte is het onder meer strafbaar om: 

  • zonder toestemming beeld- of geluidsopnames te maken van naakte mensen of van mensen die expliciete seksuele daden stellen of dergelijke beelden zonder hun toestemming te verspreiden (artikel 371/1 strafwetboek) 
  • zonder toestemming teksten of beelden te verspreiden waarmee slachtoffers van voyeurisme, aanranding van de eerbaarheid of verkrachting geïdentificeerd kunnen worden (artikel 378bis strafwetboek) 
  • teksten of beelden te verspreiden van minderjarigen die een misdrijf gepleegd hebben of die geplaatst zijn door de jeugdrechter (artikel 433bis strafwetboek)